De eerste bieren waren waarschijnlijk van spontane gisting. Bier werd waarschijnlijk al 4500 jaar voor Christus gedronken in Mesopotamië. Het is daarmee een van de oudste dranken uit de menselijke geschiedenis. Er zijn bierrecepten overgeleverd uit 3900 voor Christus. In oude mythen en legenden speelt bier vaak een rol, zoals in het Gilgamesjepos of in de Kalevala.
In West-Europa werd bier aanvankelijk algemeen gedronken, maar de Romeinen gingen na verloop van tijd over op wijn. Bier werd daarna vooral geassocieerd met "onbeschaafde" volkeren, zoals de Germanen. Romeinse schrijvers als Tacitus schrijven met veel verachting over het bier dat de Noord-Europese volkeren dronken. De opvatting dat wijn hoger en beschaafder zou zijn dan bier, en dat bier onderontwikkeld zou zijn, zou sindsdien lang gemeengoed blijven.
Middeleeuwen
Voor het gewone volk was bier in de middeleeuwen de gebruikelijke drank. Het was veiliger dan water, omdat het water in de steden vaak vervuild was, terwijl bier bij de bereiding gekookt en gefilterd werd. Bovendien was bier voedzaam: het bevatte graan en het gist was rijk aan vitamine B en andere nodige stoffen. De bierconsumptie was in de middeleeuwen dan ook zeer hoog: in de Lage Landen dronk men zo'n 300 liter bier per jaar. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het bier vrij weinig alcohol bevatte.
Het brouwen van bier werd in de middeleeuwen toevertrouwd aan kloosters en abdijen, waar het voornamelijk door vrouwen werd gebrouwen. In de regel hadden abdijen een zware en een lichte versie van het bier, waarbij de zware versie werd gedronken door paters en gasten, en de lichtere versie door de zusters. In de loop van de middeleeuwen kwam er een professionalisering op gang en werden in het tegenwoordige Duitsland bierbrouwerijen geopend. Al snel ontstonden er ook in de lage landen professionele bierbrouwerijen.
Tot de 14e eeuw werd bier enkel gebrouwen met spontane gisting, na de 14e eeuw wordt oud bier en later gist toegevoegd tijdens het brouwen. Overblijfselen van bieren van spontane gisting zijn de lambik bieren, te vinden in de Zennevallei, ten zuidwesten van Brussel.
Gruit en hop
In de vroege middeleeuwen werden bieren op smaak gebracht met kruidenmengsels, ook wel gruit genaamd. Behalve voor de smaak werd de gruit ook toegevoegd om het bier langer houdbaar te houden, met wisselend succes. Plaatselijke heren zagen in de gruitbieren een bron van inkomsten in de vorm van het gruitrecht, een voorloper op de huidige accijns: over de gebruikte kruiden moest belasting worden betaald.
Toch was al zeker sinds de 9e eeuw het gebruik van hop bekend. Hop maakt het bier langer houdbaar en doodt bacteriën. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het gebruik van hop steeds meer werd gepropageerd - bier was in de eerste plaats een levensmiddel en moest gezond zijn. In 1364 kondigde Keizer Karel IV van het Heilige Roomse Rijk de “Novus Modus Fermentandi Cervisiam” (een Nieuwe Methode om Bier te Brouwen) af. Deze wet reguleerde het gebruik van hop om bier te brouwen, en passeerde zo de edelen die het gruitrecht hanteerden. Het gruitrecht bleef in het Franse gebied wel van kracht.
Het resultaat van deze verschillende methoden is momenteel nog te zien in de Brabantse bieren van hoge gisting, die gehopt zijn: Brabant was Duits gebied ten tijde van Karel IV, anders dan Vlaanderen, dat Frans was. De Vlaamse witbieren bevatten vaak nog wel kruiden (naast hop).
Nieuwe tijd
De professionalisering van het bierbrouwen die in de middeleeuwen was begonnen zette door. Schaalvergroting was het gevolg: er werd niet langer voor eigen kring geproduceerd, er werd ingezet op de handel. Vooral in Hollandse steden als Delft, Gouda en Haarlem werd commercieel bier gebrouwen en verhandeld. De Hollandse brouwers begonnen ook stijlen uit andere landen te kopiëren om goed bij de afzetmarkt aan te kunnen sluiten: men begon zo stouts te brouwen.
Buiten de handelscentra bleef de kleine brouwer echter bestaan. Vooral in België en het zuiden van Duitsland ontwikkelden zich eigen, min of meer geïsoleerde bierculturen. Typisch voor Beieren was het in 1516 ingevoerde Reinheitsgebot, dat bepaalde dat bier enkel uit water, graan, hop en gist mocht bestaan. Hiermee werd voorkomen dat brouwers hun bier kleurden met gevaarlijke producten als pek of verf, wat voordien gebeurde, en dat er geknoeid werd met het graan. Hoewel het Reinheitsgebot de consument moest dienen, betekende het ook een beperking: fruitbieren konden bijvoorbeeld niet meer gebrouwen worden. In de 19e en 20e eeuw zou het Reinheitsgebot geleidelijk in heel Duitsland ingevoerd worden, wat verwoestende gevolgen had voor de Noord-Duitse biercultuur.
Industriële revolutie
Met de industrialisering werd het mogelijk op nog grotere schaal bier te brouwen. Bovendien gaven nieuwe technieken brouwers de gelegenheid het proces te vereenvoudigen. Bieren werden hierdoor veiliger, maar ook voorspelbaarder.
Een belangrijke ontwikkeling was de verbeterde koelmethode, die het veel gemakkelijker maakte ondergistend bier te brouwen - iets wat tot dan toe alleen in de winter mogelijk was geweest. Dit, en de ontwikkeling van een moderner opslagproces, leidde in 1839 tot de uitvinding van het pilsener, in de Tsjechische stad Pilsen. Dit ondergistende bier vond al gauw in heel de wereld navolging en zou uitgroeien tot 's werelds meest getapte biertype.
In 1852 legde in België een nieuwe brouwwet een minimum van 300 kilogram grondstoffen per brouwsel op. Het gevolg hiervan was dat in de 19e eeuw vele kleine brouwerijen verdwenen, omdat zij eenvoudigweg zoveel bier niet brouwden. Aan de andere kant ontstonden juist in de 19e eeuw veel van de brouwerijen waar België tegenwoordig zo beroemd om is, zoals de moderne trappisten.
20e eeuw en heden
Massaproductie en wereldwijde verkoop deden slimme brouwers als Heineken in de 20e eeuw enorm groeien. De keerzijde was dat kleinere brouwerijen steeds moeilijker tegen de grote merken konden concurren en verdwenen. Dit leidde tot een verschraling in het bieraanbod: met name in Nederland, maar in mindere mate ook in België, begonnen goedkoop geproduceerde pilseners de traditionele bieren te verdringen.
Aan het einde van de 20e eeuw veranderde de houding van de consument. In 1980 werd in Nederland het initiatief genomen tot het oprichten van PINT, een bierconsumentenvereniging die de diversiteit in bieren wilde bevorderen. In het Verenigd Koninkrijk bestond al enige tijd iets soortgelijks, de CAMRA. In België zou enkele jaren later de OBP worden opgericht, die aan het begin van de 21ste eeuw een doorstart maakte als Zythos. Sindsdien is de aandacht voor de traditionele bieren sterk toegenomen en worden er zelfs nieuwe, op kwaliteit gerichte brouwerijen opgericht.
Aan de andere kant gaat met name in België de kaalslag onverminderd verder en is er veel kritiek op 's wereld grootste brouwerij, Anheuser-Busch InBev, die volgens de critici kleine brouwerijen doelgericht uit de markt werkt. De strijd tussen kwaliteit en kwantiteit is nog altijd niet gestreden.
(Bron: Wikipedia)